direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Rarenderstraat 73
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0981.BPRarenderstraat73-ON01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Algemeen

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPRarenderstraat73-ON01_0001.jpg"

Foto woning (links) en vrijstaand bijgebouw (recht)

Aan de Rarenderstraat 73 in het buitengebied van Vaals zijn onder andere een woning en een vrijstaand bijbehorend bouwwerk gesitueerd. In de bestaande situatie is het vrijstaand bijbehorend bouwwerk in gebruik als atelier/hobbyruimte. De huidige eigenaar is voornemens om in het bijbehorend bouwwerk een extra woning te realiseren. In het vigerende bestemmingsplan wordt permanente bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken echter als strijdig gebruik aangemerkt. Om het gebruik van het bijgebouw (atelier/hobbyruimte) als zelfstandige woning planologisch-juridisch mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk.

Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de functiewijziging ten behoeve van een woning binnen het bestaande bijgebouw dat is aangeduid als Rijksmonument. Met onderhavige bestemmingsplanherziening wordt aangetoond dat de gewenste gebruiksmogelijkheden ter plaatse juridisch-planologisch gezien aanvaardbaar zijn.

1.2 Het plangebied, ligging en begrenzing

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPRarenderstraat73-ON01_0002.jpg"

Kadastrale kaart plangebied

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Vaals, ten zuiden van de buurtschap Raren en ten westen van de buurtschap Wolfhaag. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Vaals, sectie H, perceelsnummers 308. Het betreffende vrijstaand bijbehorend bouwwerk is gedeeltelijk ook gelegen op het perceel met perceelsnummer 307, de beoogde woning is echter voorzien in het gedeelte van het vrijstaand bijbehorend bouwwerk dat is gelegen op het perceel 308.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

De gronden van het initiatief vallen binnen het planologisch regime van het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 2013". Dit plan is op 16 december 2013 vastgesteld door de gemeenteraad.

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPRarenderstraat73-ON01_0003.jpg"

Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied 2013'

Het plangebied kent op basis van het vigerende bestemmingsplan de bestemming 'Wonen'. Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Beschermd Dorpsgezicht' van kracht over het gehele plangebied. Uitsluitend ter plaatse van de bestaande woning, geldt tevens de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'. Tot slot is de gebiedsaanduiding 'milieuzone - bodembeschermingsgebied' van toepassing op het gehele plangebied.

Op basis van de regels is ter plaatse van het perceel één woning in combinatie met een aan huis gebonden beroep toegestaan. De woning is toegestaan in het hoofdgebouw. Permanente of tijdelijke bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken wordt als strijdig gebruik aangemerkt.

De gemeente Vaals heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan de ruimtelijke procedure voor de beoogde functiewijziging ten behoeve van een woning binnen het bestaand vrijstaand bijbehorend bouwwerk. Om dit planologisch-juridisch mogelijk te maken worden ter plaatse van het betreffende perceel in plaats van maximaal 1 woning, maximaal 2 woningen mogelijk gemaakt.

Middels onderhavige toelichting wordt de gewenste aanpassing van het bestemmingsplan ten behoeve van de locatie Rarenderstraat 73 onderbouwd. Daarnaast bestaat het bestemmingsplan uit een set regels en een verbeelding.

1.4 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt eerst de bestaande en gewenste situatie beschreven. Daarna worden de beleidskaders van het Rijk, de provincie, het regionale beleid en het beleid van de gemeente uiteengezet. Vervolgens wordt een beschrijving van de uitvoering van het plan gegeven. Hierin wordt aandacht besteed aan verschillende milieuaspecten, zoals bodem, externe veiligheid, luchtkwaliteit, geluid en water. In het hoofdstuk haalbaarheid komt de financiële en maatschappelijk haalbaarheid aan bod. Tot slot volgt een hoofdstuk waarin aandacht wordt besteed aan de juridische opzet van het bestemmingsplan.

 

Hoofdstuk 2 Projectprofiel

2.1 Gebiedsbeschrijving

Kenmerkend voor het buitengebied van Vaals, en daarmee ook de omgeving van Raren, is het reliëfrijk gebied, de bossen, de karakteristieke bebouwing en het kleinschalig landschap. Het plangebied is gelegen in nationaal landschap Zuid-Limburg. Het gebied wordt gekenmerkt door holle wegen, plateaus, steile hellingen en vakwerkboerderijen. Ook graften, kapelletjes, hoogstamboomgaarden en kruisbeelden zijn typisch voor deze omgeving. Water, vruchtbare löss, silex, kalksteen en het reliëf zijn lange tijd bepalend geweest voor de menselijke bewoning.

De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich door enerzijds het ten noorden gelegen buurtschap Raren en het ten oosten gelegen buurtschap Wolfhaag maar anderzijds door het omliggende uitgestrekte reliëfrijke buitengebied.

Het plangebied valt onder het buurtschap Raren dat bestaat uit circa 70 boerderijen en huizen en is gelegen aan de Rarenderstraat, de Meelenbroekerweg en de Lange Bosweg. De naam is afgeleid van 'rade', een ontgonnen gebied. Raren is gedeeltelijk een Beschermd Dorpsgezicht. Ook het plangebied valt onder dit beschermde dorpsgezicht. Er staan enkele oude vakwerkhuizen uit de 16e en 17e eeuw. Ten zuiden van Raren ligt het Malensbos met grafheuvels uit de Bronstijd. Ten oosten van Raren ligt Kasteel Vaalsbroek met een landschapspark en een eigen watermolen, de Vaalsbroekermolen. Het hele complex is beschermd als Rijksmonument.

In de nabijheid van het buurtschap ontspringen verschillende bronnen die de Zieversbeek voeden. Aan de westkant van het buurtschap stijgt de weg naar het Vijlenerbos waar bovenaan enkele grafheuvels te vinden zijn.

De Vijlenerbossen (Schimperbosch) zijn op een afstand van slechts circa 300 meter ten zuiden en westen van het plangebied gelegen. De bebouwing in het directe buitengebied heeft veelal een woonfunctie, is verspreid gelegen en kent een lage bebouwingsstructuur.

2.2 Projectbeschrijving

2.2.1 Algemeen

Het hoofdgebouw aan de Rarenderstraat 73 in het buurtschap Raren wordt momenteel als woning gebruikt. In deze situatie zijn geen wijzigingen voorzien.

Het bijbehorend bouwwerk is in gebruik als atelier-/hobbyruimte. Zowel de bestaande woning als het bijgebouw kennen conform het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Wonen'. Ter plaatse van het betreffende perceel is maximaal 1 woning toegestaan binnen het hoofdgebouw. Daarnaast wordt permanente of tijdelijke bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als strijdig gebruik aangemerkt.

Recent is het perceel in eigendom overgedragen. Het object betreft (grotendeels) een Rijksmonument en is in het vigerende bestemmingsplan aangemerkt als zijnde een Beschermd Dorpsgezicht. De huidige eigenaar is voornemens om in het vrijstaand bijbehorend bouwwerk een zelfstandige woning te realiseren. De wijziging van de bestaande functie van bijbehorend bouwwerk naar een woning draagt bij aan de instandhouding van het Rijksmonument en het bijbehorende ensemble.

2.2.2 Beschrijving plangebied

Het woonhuis en een groot deel van het vrijstaande vrijstaand bijbehorend bouwwerk zijn van origine vakwerk gebouwen uit de 16e eeuw en in 2013 gerestaureerd. Het vakwerk is opgebouwd met Andreaskruizen en aan de zijgevel bevindt zich een overkraging. Deze panden kennen een (rijks)monumentale status. Binnen het plangebied zelf is sprake van een enkele functie, namelijk wonen. Het bestaande hoofdgebouw is geschikt voor bewoning waarvoor het pand momenteel ook gebruikt wordt.

Het vrijstaand bijbehorend bouwwerk is ingericht als atelierruimte en hobbyruimte. Daarnaast zijn in het bijgebouw opbergruimten en een keukenblok gesitueerd.

2.2.3 Beoogd gebruik

De bebouwing is reeds in 2004, op basis van de destijds verleende monumentenvergunning (28 oktober 2004), intern verbouwd. Het vrijstaand bijbehorend bouwwerk zal in de nieuwe situatie gebruikt gaan worden als zelfstandige woning. Het Rijksmonument zal daarvoor beperkt aangepast worden.

Een impressie van de bestaande en nieuwe situatie is op navolgende afbeeldingen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPRarenderstraat73-ON01_0004.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPRarenderstraat73-ON01_0005.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPRarenderstraat73-ON01_0006.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPRarenderstraat73-ON01_0007.png"  

impressie bestaande situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPRarenderstraat73-ON01_0008.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPRarenderstraat73-ON01_0009.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPRarenderstraat73-ON01_0010.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPRarenderstraat73-ON01_0011.png"  

Impressie nieuwe situatie

Ten opzichte van de bestaande situatie wordt het object in de nieuwe situatie geschikt gemaakt voor permanente bewoning. Hiervoor worden intern enkele voorzieningen getroffen en worden extern enkele kleine wijzigingen doorgevoerd. Het planvoornemen c.q. de tekeningen zijn in het kader van een vooroverleg voorgelegd aan de Monumentencommissie. Op 8 december 2016 heeft de commissie onder voorwaarden ingestemd met het plan. De externe wijzigingen zijn akkoord. Ten aanzien van de interne wijzigingen worden de voorwaarden gesteld dat:

  • de meterkast wordt verplaatst tegen de buitenwand van de berging zodat de monumentale schuur niet wordt aangetast;
  • van de ramen en nieuwe doorgangen horizontale en verticale doorsnede ter beoordeling worden aangereikt.

De bestaande garage, aan de zuidzijde van het bijgebouw, maakt geen onderdeel uit van het Rijksmonument. Ook deze garage zal onderdeel uit gaan maken van de beoogde woning in de vorm van een hobby-, atelier- en/of kantoorruimte. Hiervoor zijn geen bouwkundige aanpassingen nodig.

2.3 Verkeer en parkeren

2.3.1 Verkeer

De initiatieflocatie is gelegen aan de Rarenderstraat 73 welke vanuit noordelijke richting bereikbaar is vanaf de Epenerbaan en vanuit oostelijke richting via de Meelenbroekerweg. Via deze ontsluitingswegen kan aansluiting gevonden worden op de N278, de doorgaande weg tussen Maastricht en het Duitse Aken.

2.3.2 Parkeren

Bij realisatie van het initiatief dienen de initiatiefnemers zorg te dragen voor voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein. De gemeente Vaals hanteert de CROW, ASVV als richtlijn om de noodzakelijke parkeerbehoefte te bepalen. Overeenkomstig deze norm geldt voor een vrijstaande woning in het buitengebied een norm van minimaal 2 en maximaal 2,8 parkeerplaatsen.

Voor de nieuwe zelfstandige woning dienen, buiten de 2 parkeerplaatsen voor de bestaande woning, derhalve 2 extra parkeerplaatsen op eigen terrein te worden gerealiseerd. Het plangebied is groot genoeg voor de realisatie van deze 2 extra parkeerplaatsen. Er wordt derhalve voldaan aan de gestelde eisen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPRarenderstraat73-ON01_0012.png"

Beoogde locatie parkeerplaatsen (in rood)

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft het kabinet een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. In de structuurvisie worden belangrijke andere accenten geplaatst op het brede gebied van ruimtelijke ordening en bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het betekent voor de ruimtelijke ordening in brede zin een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden en actualisatie van het Nationaal Ruimtelijk Beleid. De SVIR vervangt onder meer de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit1, de Mobiliteits-Aanpak en Pieken in de Delta. Daarmee is de SVIR de 'kapstok' voor uitwerkingen van beleid met ruimtelijke consequenties. De SVIR heeft als horizon 2040, maar geeft vooral het kader voor de acties en beslissingen die op de korte termijn worden genomen.

 

Het kabinet heeft in de SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Het gaat onder meer om de volgende nationale belangen: Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen en Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen.

De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wro, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, dat wil zeggen door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen.

Aangezien het beoogde gebouw een Rijksmonument betreft dat tevens is gelegen binnen een Beschermd Dorpsgezicht, is de SVIR op dit initiatief van toepassing. Het Rijk is namelijk verantwoordelijk voor het cultureel en natuurlijk UNESCO-werelderfgoed, kenmerkende stads- en dorpsgezichten, Rijksmonumenten en cultuurhistorische waarden in of op de zeebodem. De SVIR kent op het schaalniveau van het plangebied geen beperkingen voor de realisatie van het planvoornemen..

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin de hierboven genoemde kaderstellende uitspraken. Het Barro is inmiddels in werking getreden. Hierin zijn echter geen regels opgenomen die betrekking hebben op het Rijksmonument, het Beschermd Dorpsgezicht of andere regels die van toepassing zijn op het planvoornemen.

3.1.2 Nationaal Landschap Zuid-Limburg

In Nederland zijn 20 gebieden aangewezen als Nationaal Landschap. Door de verstedelijking staat het platteland op sommige plaatsen onder druk. De Nationale Landschappen krijgen daarom extra aandacht vanwege hun belang voor de cultuurhistorie en natuur.

De initiatieflocatie is gelegen in het Nationaal Landschap Zuid Limburg. Dit Nationaal Landschap is een rivierterrassenlandschap, doorsneden door diep ingesneden dalen, waarbij de rotsachtige ondergrond dagzoomt in de steile dalhellingen. Waar de ondergrond ondoorlatend is ontspringen bronnen die vervolgens als bronbeekjes afwateren op de Geul, de Gulp, de Geleenbeek en de Maas. Deze landschappelijke opbouw geeft over een korte afstand een grote afwisseling tussen de weidse, open plateaus en de intieme, besloten dalen. Ze zijn verder voorzien van holle wegen, hoogstamboomgaarden, vakwerkboerderijen, kapelletjes en kruisbeelden.

Vanwege de aanwezigheid van silex (vuursteen) en de vruchtbare grondsoort löss kent Zuid Limburg de langste bewoningsgeschiedenis van Nederland. In het Savelsbos bij Rijckholt en in de zuidelijke helling van het Geuldal bij Valkenburg zijn wereldwijd unieke, 6000 jaar oude vuursteenmijnen te bezoeken. In de omringende steden tonen musea de overblijfselen van de Romeinse nederzettingen.

Behoud, herstel en duurzaam beheer van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke kernkwaliteiten is uitgangspunt. In de navolgende hoofdstukken wordt indien van toepassing ingegaan op deze kernkwaliteiten in het plangebied. Er zal dan rekening worden gehouden met het behoud en duurzame beheer van deze kernkwaliteiten.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg

Op 12 december 2014 is het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) door Provinciale Staten vastgesteld. Op 16 januari 2015 is het in werking getreden.

In het POL2014 komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. Dat sluit aan bij de basisfilosofie en ook bij de aanpak van de rijksoverheid die zich beperkt tot een 13-tal nationale ruimtelijke belangen. Zo veel mogelijk ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en andere partners die met hun lokale kennis prima maatwerk kunnen leveren. In het POL2014 wordt onderscheid gemaakt in drie regio's. Het plangebied is gelegen in de regio Zuid-Limburg.

Visie Zuid-Limburg

Zuid-Limburg is een heel aantrekkelijke regio om te wonen, te werken en te recreëren. Tegelijkertijd worden deze potenties bedreigd. De gevolgen van de bijzondere grensligging en de demografische ontwikkeling in Limburg spelen namelijk nergens zo sterk als in het zuiden van de provincie. In economisch opzicht is Zuid-Limburg te typeren als een "tussen-regio", tussen de metropoolregio's Randstad, Vlaamse Ruit en Ruhrgebied. Er zijn relatief weinig bereikbare banen binnen de landsgrenzen en daarmee is sprake van een beperkte veerkracht van de regionale en lokale economie. Bovendien kampt Zuid-Limburg met leegstandsproblematiek op het gebied van woningbouw, kantoren, verblijfsrecreatie, bedrijventerreinen en detailhandel: er is van alles teveel, en dat vraagt om een heldere visie en bovenal sturing.

In de integrale gebiedsopgave van Zuid-Limburg staat de komende jaren de economische structuurversterking centraal. Als onderdeel van de Brainport Zuidoost-Nederland is de ambitie om het gebied verder te ontwikkelen als een sterke kennisregio, die in verbinding staat met de kennisregio's Eindhoven, Aken en Leuven/Hasselt. Dit bevordert de bundeling van technologische kennis en de wereldwijde export van de innovatieve producten die hieruit voortkomen, en levert (indirect) ook veel werkgelegenheid op voor de lokale en regionale economie. De gemeente Vaals is gelegen tussen de economische gebieden in het gebied aangeduid als Nationaal Landschap.

Kwaliteit centraal betekent dat men zorgvuldig wil omgaan met de bestaande voorraden: De ruimte (steden en dorpen, natuur, landschap), de voorzieningen (gebouwde omgeving, infrastructuur, vervoersystemen), de natuurlijke hulpbronnen, de milieuruimte en de ondergrond. Dit is onder andere vertaald in het principe dat bij nieuwe ontwikkelingen leegstaande cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen zoveel mogelijk worden benut. Er moet gekeken worden of er een leegstaand Rijksmonument, gemeentelijk monument, beschermd stads- of dorpsgezicht of ander leegstaand gebouw (in die volgorde) geschikt (te maken) is om deze functie te huisvesten. Onderhavig planvoornemen sluit hier nadrukkelijk op aan.

Nationaal Landschap

Het Nationaal Landschap is gelegen binnen de (Euregionale) metropool Luik-Eupen-Aken-Parkstad-Sittard-Genk-Hasselt-Maastricht als onderdeel van het grensoverschrijdende Drielandenpark. Het is een uitloopgebied van de steden waarvan de "quality of life" belangrijk is voor het Zuid-Limburgse leef- en vestigingsklimaat. Het gebied kent een hoge dichtheid aan cultuurhistorisch erfgoed waaronder veel monumenten.

 

Zonering Limburg

Het plangebied aan de Rarenderstraat 73 is voor wat betreft de zonering in het POL2014 gelegen in de 'bronsgroene landschapszone'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPRarenderstraat73-ON01_0013.jpg"

Ligging plangebied in POL2014 Zonering

De zone 'bronsgroene landschapszone' betreffen beekdalen en gebieden met steilere hellingen met een grote variantie aan functies, in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap. Ook het winterbed van de rivier de Maas valt binnen de bronsgroene landschapszone. Binnen deze zone ligt het accent op het behoud, het beheer, de ontwikkeling en het beleven van de (huidige) landschappelijke kernkwaliteiten. Ontwikkelingen binnen de ruimte die het beleid voor de verschillende thema's biedt zijn mogelijk mits de kernkwaliteiten behouden blijven of versterkt worden (‘ja-mits’).

Algemene kwaliteitsprincipes zoals de Ladder voor duurzame verstedelijking en hergebruik van leegstaande (cultuurhistorische) gebouwen worden hier dan ook toegepast.

Wonen en leefomgeving

De ambitie van de provincie Limburg is een voortreffelijk woon- en leefklimaat, waar mensen zich prettig voelen.

Kwantitatief ligt er een aanzienlijke opgave om ervoor te zorgen dat de woningmarkt aansluit bij de demografische ontwikkeling. De groei eindigt, maar niet in de hele provincie gelijktijdig en op dezelfde manier: de top in de woningbehoefte wordt naar verwachting in Midden- en Noord-Limburg bereikt rond 2028 respectievelijk 2030, terwijl de totale behoefte in Zuid-Limburg vanaf 2017 al daalt, wat in delen van het gebied nu al volop waarneembaar is.

De kwalitatieve opgave is mogelijk nog uitdagender. Die vraagt om een omslag in denken. Allereerst gaat het daarbij om het toekomstbestendig houden en maken van de bestaande woningvoorraad. Maatschappelijke trends (inclusief demografische) leveren een vraag op naar andere woningen dan de voorraad nu biedt. Bijvoorbeeld meer vraag naar woningen voor eenpersoonshuishoudens, in plaats van de gezinswoningen, meer vraag naar aanpasbare en levensloopbestendige woningen en naar energiezuinige woningen.

Deze kwalitatieve opgave moet, gezien de afnemende kwantitatieve vraag, vooral gerealiseerd worden in de bestaande woningvoorraad, waarbij nieuwbouw (in de vorm van uitbreiding dan wel vervanging) vooral moet worden ingezet om te voorzien in de vraag naar datgene waaraan ook op langere termijn het meest behoefte bestaat.

Bij planvorming voor uitbreiding van de woningvoorraad wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking en de voorkeur voor gebruik van leegstaand (monumentaal of beeldbepalend) vastgoed consequent gehanteerd. De nog voorziene beperkte groei moet vooral worden ingezet voor het versterken van het wonen in steden en kernen en het kwalitatief verantwoord afronden daarvan. Dit moet in de regionale visies verder geconcretiseerd worden, daarin moet ook worden bepaald welke ruimte er is voor kleine ontwikkelingen buiten het bestaand bebouw gebied.

Landschap en cultuurhistorie

Behoud en versterken van de kenmerkende kwaliteiten en afwisseling van het landschap, in combinatie met het ruimte bieden aan ontwikkelingen die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van dat landschap. Ruimtelijke kwaliteit ziet de provincie hierbij als de goede functie op de goede plek op de goede manier ingepast in de omgeving.

De provincie Limburg wil de geschiedenis van Limburg samenhangend in de ruimte zichtbaar houden en daarmee een aantrekkelijk woon-, leef- en vestigingsklimaat bieden. Daarom streeft zij naar duurzaam gebruik van erfgoed in onderlinge samenhang met de ruimte.

Voor onderhavig initiatief geldt dat er door de gewenste ontwikkelingen een economisch haalbare invulling wordt gegeven aan een bestaand cultuurhistorisch object. Dit draagt derhalve bij aan het behoud van de cultuurhistorische waarden ter plaatse. Hiermee wordt voldaan aan het beleid uit het POL2014.

3.2.2 Omgevingsverordening Limburg

De Omgevingsverordening Limburg is een samenvoeging van de voormalige Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. De Omgevingsverordening Limburg is op 1 januari 2011 in werking getreden en bevat de juridische doorwerking van het omgevingsbeleid als vastgelegd in het POL. In 2014 is de Omgevingsverordening gewijzigd vanwege de vaststelling van POL 2014, waarin is bepaald dat er een nieuw hoofdstuk "Ruimte" aan de Omgevingsverordening werd toegevoegd. Dat hoofdstuk "Ruimte" is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL 2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. In verband met de borging van de regionale uitwerkingen van de diverse beleidsthema's van POL2014, heeft van 4 mei tot en met 31 mei 2016 een ontwerp-Wijzigingsverordening van de Omgevingsverordening ter inzage gelegen (zie 3.2.3).

Het POL 2014 zet sterk in op het zoveel mogelijk concentreren van nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied. In de omgevingsverordening komt dit tot uiting in de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 2). Daarin wordt gesteld dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening houdt met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Daarbij worden tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen, zoals bedoeld in artikel 2.2.3 van de omgevingsverordening onderzocht. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop hieraan invulling is gegeven.

Het plangebied is gelegen binnen de aanduiding 'Wonen Zuid-Limburg'. Dit houdt in dat er geen nieuwe woningen aan de bestaande woningvoorraad mogen worden toegevoegd. Het plan voorziet niet in de nieuwbouw van een woning, omdat de bebouwing reeds aanwezig is. Planologisch gezien is hier echter wel sprake van een nieuwe woning. Een uitzondering voor wat betreft het toevoegen van woningen wordt gemaakt echter voor woningen, die voldoen aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde 'Kwaliteitscriteria nieuwe woningen Zuid-Limburg'. Hierin wordt gesteld dat de Omgevingsverordening Limburg 2014, paragraaf 2.4, Wonen Zuid-Limburg niet van toepassing is, indien het plan de toevoeging van maximaal één woning mogelijk maakt, zoals in onderhavige situatie.

Het planvoornemen ziet op het mogelijke maken van de bewoning van een monumentaal bijgebouw. Het betreffende pand is gelegen in het buitengebied en derhalve niet in bestaand stedelijk gebied. Toetsing aan de duurzaamheidsladder is niet noodzakelijk, aangezien er niet wordt voorzien in een stedelijke ontwikkeling. Op basis van jurisprudentie wordt de realisatie van 1 woning niet gezien als een stedelijke ontwikkeling (ABRVS (Vz) 14/1/14, nr 201308263/2/R4 en ABRVS 18/12/13, nr. 201302867/1/R4). Daarnaast wordt niet voorzien in de realisatie van nieuwe bebouwing aangezien de woning is voorzien in een bestaand bijgebouw. Er is dan ook geen sprake van extra "verstening". Het planvoornemen sluit in dat kader wel aan op de duurzaamheidsladder waarbij wordt gestreefd naar herstructurering of transformatie alvorens wordt overgegaan op nieuwbouw of nieuwe uitleggebieden. Voor onderhavig initiatief geldt dat er door de gewenste ontwikkelingen een economisch haalbare invulling wordt gegeven aan een bestaand cultuurhistorisch object, waardoor dit pand naar de toekomst toe wordt behouden. Dit draagt derhalve bij aan het behoud van de cultuurhistorische waarden ter plaatse.

Het plangebied is verder gelegen in het 'Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg'. Met het planvoornemen wordt uitsluitend het bewonen van een bestaand bijgebouw mogelijk gemaakt waardoor de bescherming van het Nationaal Landschap Zuid-Limburg niet wordt belemmerd.

Daarnaast is de locatie gelegen in de 'Bronsgroene landschapszone'. Binnen deze zone wordt gestreefd naar herbenutting van cultuurhistorische waarden. Het planvoornemen sluit daar nadrukkelijk op aan.

Gelet op het voorgaande voldoet het planvoornemen aan de beschreven uitgangspunten van de vigerende provinciale Omgevingsverordening.

3.2.3 Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014

De omgevingsverordening Limburg is op onderdelen aangepast. Die onderdelen zijn geregeld via een Wijzigingsverordening van de omgevingsverordening Limburg 2014. De ontwerp-Wijzigingsverordening heeft tot 31 mei 2016 ter inzage gelegen en is op 11 november 2016 door Provinciale Staten worden vastgesteld.

Met de Wijzigingsverordening wordt beoogd om de doorwerking van de ondertekende bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor onder ander Zuid-Limburg te borgen door middel van voorzorgsbepalingen. Ook zijn nog enkele andere aanpassingen doorgevoerd. Deze aanpassingen betreffen onder meer het onder het toepassingsbereik van de Omgevingsverordening brengen van de zogenaamde kruimelgevallen en een vernieuwde regeling voor tijdelijke huisvesting van short-stay arbeidsmigranten op recreatieterreinen.

Verder is een toelichting opgenomen voor de Zone natuurbeek en in de paragraaf met betrekking tot intensieve veehouderij is de reeds bestaande beleidsregel Vormverandering bouwkavel intensieve veehouderijen in extensiveringsgebieden intensieve veehouderij ingevoegd. Daarnaast zijn de vrijstellingen van de vergunningenplicht voor ontgrondingswerkzaamheden verruimd, waar het gaat om de technische realisering van natuurbouwprojecten in de goudgroene natuurzone. Tot slot is een aanpassing van de straf-, overgangs- en slotbepalingen doorgevoerd. In de meeste gevallen gaat het om aanpassingen in de regels én in de toelichting van deze paragrafen en hoofdstukken.

Ten aanzien van de regionale uitwerking van POL2014 voor het thema Wonen, is in artikel 2.4 van de Wijzigingsverordening bepaald dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg niet voorziet in de toevoeging van woningen aan de bestaande (plan)voorraad woningen. Dit geldt niet, wanneer er sprake is van een door de gemeenteraad vastgestelde Structuurvisie Wonen Zuid Limburg (SVWZL) en het ruimtelijk plan voldoet aan het bepaalde in die Structuurvisie. De gemeenteraad van Vaals heeft de genoemde Structuurvisie vastgesteld in de vergadering van 17 oktober 2016. Aangezien dit plan voldoet aan de uitgangspunten van de Structuurvisie (zie de betreffende paragraaf over de SVWZL), kan worden geconcludeerd dat onderhavig planvoornemen niet in strijd is met de nieuwe Omgevingsverordening.

3.2.4 Limburgs Kwaliteitsmenu

Voor (ruimtelijke) ontwikkelingen buiten de zogenaamde ‘rode contouren’ is het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) van kracht. In dit Kwaliteitsmenu geeft de provincie de Limburgse gemeenten een handreiking op welke wijze deze om moeten gaan met ontwikkelingen in het buitengebied. Gemeenten dienen in een structuurvisie dit provinciale beleidskader te verwerken en aan te geven op welke wijze zij toepassing geven aan het Limburgs Kwaliteitsmenu. De gemeente Vaals beschikt over een intergemeentelijke structuurvisie, zodat ook de richtlijnen van het daarin - ter verankering van het Limburgs Kwaliteitsmenu - opgenomen Gemeenteljk Kwaliteitsmenu (GKM) dienen te worden gehanteerd (zie paragraaf  3.3.3).

In z’n algemeenheid betreft het Limburgs Kwaliteitsmenu een beleidsregel die onder voorwaarden ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied van Limburg toestaat. Daarbij dient sprake te zijn van ‘kwaliteitswinst’. Deze kwaliteitswinst kan op diverse wijzen tot stand komen, zoals bijvoorbeeld het realiseren van een landschappelijke inpassing, het slopen van bedrijfsbebouwing of glasopstanden, het realiseren van natuur of het leveren van een financiële bijdrage in een (gemeentelijk) ‘groenfonds’. De provincie geeft in het Limburgs Kwaliteitsmenu richtlijnen en drempelwaarden voor het bepalen van de hoogte van de tegenprestatie bij verschillende soorten ruimtelijke ontwikkelingen.

In onderhavige situatie wordt een monumentaal bijgebouw in gebruik genomen ten behoeve van de functie wonen. Hiermee wordt voorzien in een duurzame functie voor het Rijksmonument waarmee zowel het pand als het ensemble behouden blijven. Op deze manier wordt een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het historisch bebouwingsbeeld en het dorpsgezicht beschermd. Dit kan gezien worden als een kwaliteitsverbetering in het kader van het LKM. Aangezien de ruimtelijke en bouwkundige aanpasingen van beperkte betekenis zijn, heeft het planvoornemen ook geen andere gevolgen voor de karakteristiek van het plangebied en zijn omgeving.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Bestuursovereenkomst Regionale afspraken Zuid-Limburg

In de Bestuursovereenkomst regionale afspraken Zuid-Limburg zijn afspraken vastgelegd tussen de colleges van burgemeester en wethouders van de achttien Zuid-Limburgse gemeenten en het college van Gedeputeerde Staten van Limburg over de regionale uitwerking van POL2014 voor Zuid-Limburg, over het Nationaal Landschap als geheel en over de thema's wonen, detailhandel, kantoren, bedrijventerreinen, energie, landschap, land- en tuinbouw en vrijetijdseconomie.

Ten aanzien van het thema wonen zijn in de bestuursovereenkomst specifieke afspraken gemaakt. De Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (hierna SVWZL) is door de raad vastgesteld op 17 oktober 2016. In paragraaf 3.3.2 wordt nader ingegaan op de SVWZL.

Om te borgen dat er geen bestemmingsplannen worden vastgesteld die in strijd zijn met de gemaakte afspraken, zal de provincie voorzorgbepalingen opnemen in het hoofdstuk ruimte van de omgevingsverordening Limburg (zie paragrafen 3.2.2 en 3.2.3).

3.3.2 Regionale structuurvisie wonen Zuid-Limburg

De regionale (ontwerp) Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (hierna SVWZL) is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de 18 Zuid-Limburgse gemeenten waaronder Vaals. De SVWZL is opgesteld vanuit het besef dat ruimtelijke plannen in de ene gemeente, direct invloed kan hebben op een andere gemeente. Ook erkennen gemeenten met deze gemeenschappelijke aanpak, datonderlinge concurrentie, zeker met de huidige bevolkingsontwikkeling en de ambities die Zuid-Limburg als kennisregio heeft, leidt tot negatieve effecten die uiteindelijk ten koste gaan van de kracht van de regio. Een overschot aan woningen is niet in het gezamenlijke belang, want dat kan negatieve gevolgen hebben voor de bestaande woningvoorraad, met alle gevolgen van dien voor leefbaarheid, doorstroming en betaalbaarheid. Doel van deze visie is het creëren van een excellent woon- en leefklimaat in Zuid-Limburg door een goed functionerende woningmarkt met aantrekkelijke, elkaar aanvullende woonmilieus. Dit is een voorwaarde voor het benutten van de economische potentie van de regio, een ambitie die Zuid-Limburg hoog in het vaandel heeft.

In de SVWZL staat de transformatieopgave centraal, dat wil zeggen de totale woningbehoefte op basis van het aantal huishoudens, rekening houdend met de huidige woningvoorraad en de leegstand. De transformatieopgave per gemeente staat centraal in de ontwikkeling van de woningvoorraad. Om de gewenste kwantitatieve omvang van de woningvoorraad te bepalen wordt de transformatieopgave per gemeente uit de Woonmonitor gebruikt als de kwantitatieve koersbepalende opgave om te komen tot een gezonde woningmarkt met voldoende marktspanning. De transformatieopgave wordt bepaald door de combinatie van de leegstand in de woningvoorraad (minus een gezonde frictieleegstand van 2%) en de huishoudensontwikkeling. De transformatieopgave per gemeente wordt tweejaarlijks vastgesteld. De transformatieopgave is een koersbepalende opgave voor de ontwikkeling van de woningvoorraad. De transformatieopgave wordt vastgesteld per gemeente en is beleidsneutraal. Het betreft daarmee geen afdwingbare bouw-of sloopopgave.

Met de SVWZL wordt tegemoet gekomen aan de behoefte aan duidelijkheid en sturing door kwalitatieve en kwantitatieve kaders te stellen (top-down), waardoor ruimte ontstaat voor goede (bottom-up) initiatieven die de gewenste transformatie van de woningmarkt een impuls geven en iets toevoegen aan de woningmarkt dat er nog niet is.

De SVWZL bevat een driedelige opgave voor gemeenten, namelijk het verdunnen van de bestaande voorraad waar sprake is van een overschot, het terugdringen van de ongewenste planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave en het toevoegen van woonproducten waar een tekort van is, passend binnen de uitgangspunten van de SVWZL. Echter, deze drie opgaven kunnen niet altijd één op één in de tijd gelijk lopen.

Één van de beleidsaspraken die zijn gemaakt om invulling te geven aan de driedelige opgave is: (V) De herinvulling van waardevol bestaand vastgoed (bijvoorbeeld monumenten) te prioriteren in de regionale woningmarktprogramering, waarbij ook keuze gemaakt kunnen worden om bepaald leegstaand vastgoed geen nieuwe invulling te geven. Onderhavig planvoornemen voorziet in de ingebruikname van een monumentaal bijgebouw voor een woonfunctie. Daarmee wordt invulling gegeven aan de genoemde prioriteit.

 

Daarnaast is afgesproken dat (VI) op een uniforme wijze wordt afgewogen of een kwalitatief goed nieuw woningbouwinitiatief aan de woningmarktprogramering kan worden toegevoegd. Als uitgangspunt geldt dat nieuwe woningbouwinitiatieven (waaronder dit planvoornemen) worden gecompenseerd. Hierbij kan in volgorde gebruik worden gemaakt van:

  • A. Compenseren met direct gekoppelde sloop of onttrekking;
  • B. Elke nieuw toe te voegen woning wordt financieel gecompenseerd door middel van een op Zuid-Limburgs niveau uitwerkte uniforme financiële compensatieregeling, waarvan de middelen in een sub regionaal op te zetten sloopfonds vloeien;
  • C. De gemeente neemt de sloopverplichting over en voert deze binnen de raadstermijn uit, waarbinnen dit besluit is genomen;
  • D. Door middel van het schrappen van reeds bestaande harde plancapaciteit in de regionale woningmarktprogrammering. Hiervan mag ¼ deel gezet worden als compensatie voor het nieuwe woningbouwinitiatief. In het geval van een woningbouwinitiatief in een monument of beeldbepalend pand kan volstaan worden met een één op één compensatie.

Naar aanleiding van de ontvangen zienswijzen op de Ontwerp-SVWZL, is door de 18 deelnemende regiogemeenten een Nota van Zienswijzen opgesteld. In deze Nota van Zienswijzen, welke integraal onderdeel uitmaakt van de op 17 oktober 2016 door de gemeenteraad van Vaals vastgestelde SVWZL, is ten aanzien van Rijksmonumenten bepaald dat deze zijn uitgezonderd van de genoemde compensatieplicht. Daarmee voldoet onderhavig initiatief aan de toepasselijke beleidsafspraken uit de SVWZL. Het plan is in dit kader regionaal afgestemd en ambtelijk en bestuurlijk (7 juni 2017) akkoord bevonden.

Maastricht Heuvelland/Mergelland

Het plangebied is gelegen in de subregio Maastricht-Heuvelland waar al geruime tijd wordt samengewerkt op het gebied van wonen. Door de jaren heen zijn verschillende regionale woonvisies ontwikkeld, waarin afspraken zijn gemaakt over kwaliteit en kwantiteit van de te bouwen woningen.

In 2012 is de ‘Regionale woonvisie Maastricht en Mergelland’ door de gemeenteraden van alle zes regiogemeenten (Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Maastricht, Meerssen, Vaals en Valkenburg aan de Geul) vastgesteld. Daaruit kwam naar voren, dat de noodzaak tot het toevoegen van woningen tot en met 2014 zeer beperkt en na 2015 zelfs negatief is. Het betreft een beleidskader met een looptijd tot en met 2015, met een doorkijk naar 2020. Gelet op de huidige ontwikkelingen is er een nieuwe (structuur)visie en actueel woningmarktbeleid nodig. Deze krijgen nu vorm via de SVWZL waarin nietvrijblijvende beleidsafspraken op Zuid-Limburgs niveau worden gemaakt. De provinciale Omgevingsverordening zal daarbij als provinciale ‘stok achter de deur’ fungeren. Gelet op het vastgesteld POL2014 is dit het moment om te komen tot een subregionale woningmarktprogrammering om op subregionaal niveau uitwerking te geven aan de SVWZL. Deze subregionale programmering kent als kader de uitgangspunten van het POL en de SVWZL en zal regelmatig worden geactualiseerd en bijgesteld.

Aangezien het planvoornemen voorziet in de realisatie van een woning binnen een bestaand Rijksmonument, sluit het planvoornemen aan op de prioritering conform de SVWZL. Bovendien bestaat onderhavig planvoornemen uit de toevoeging van slechts 1 wonig. Dit wordt (op basis van de ladder voor duurzame verstedelijking) niet gezien als stedelijke ontwikkeling. Op grond van de SVWZL hoeft voor Rijksmonumenten niet te worden gecompenseerd.

3.3.3 Intergemeentelijke structuurvisie Gulpen-Wittem, Vaals en Valkenburg aan de Geul

De gemeente Vaals heeft de Intergemeentelijke Structuurvisie Gulpen-Wittem, Vaals en Valkenburg aan de Geul vastgesteld (27 februari 2012).

In de intergemeentelijke structuurvisie worden de strategische keuzes aangaande de ruimtelijke ontwikkeling binnen het grondgebied voor de lange termijn vastgelegd. De gemeenten Gulpen-Wittem, Vaals en Valkenburg aan de Geul hebben ervoor gekozen deze structuurvisie samen op te stellen. Het grondgebied van de gemeenten vormt een belangrijk deel van het stroomgebied van de Geul binnen het Heuvelland van Zuid-Limburg. Ondanks de verschillen die er zijn tussen de gemeenten, is er door deze ligging ook sprake van veel overeenkomsten. Het biedt daarom voordelen om een gezamenlijk beleidskader te hebben, waarin de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid voor de drie gemeenten is vastgelegd en dit beleid op elkaar is afgestemd.

De hoofddoelstelling van de structuurvisie is het geven van een integrale visie voor het grondgebied van de drie gemeenten. Hierin komt op hoofdlijnen de samenhang tussen de (ruimtelijke) aspecten van sectoraal beleid, zoals recreatie en toerisme, economie, volkshuisvesting, natuur, landbouw en mobiliteit tot uiting. De structuurvisie is daarmee een belangrijk kader voor de afweging rondom concrete ruimtelijke beslissingen over de gewenste ontwikkelingsmogelijkheden voor de kernen. Leefbaarheid, kwaliteit en duurzaamheid gericht op de lange termijn zijn hierbij kernbegrippen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPRarenderstraat73-ON01_0014.jpg"

Uitsnede Intergemeentelijke structuurvisie

Op de bijbehorende beleidskaart valt het plangebied binnen de hoofdzonering "Steile hellingen en droogdalen". Daarnaast is de initiatieflocatie aangeduid als zijnde een te "behouden historisch bebouwingsbeeld" (rode onderbroken lijn) en binnen het "beschermd stads- en dorpsgezicht" (gele onderbroken belijning). De directe omgeving wordt verder gekenmerkt door de Ecologische Hoofdstructuur en kleinschalige natuur- en landschapsontwikkeling. Een uitsnede van deze beleidskaart is hierboven weergegeven.

Onderhavig initiatief wordt grotendeels gerealiseerd in een Rijksmonument. Door de functiewijziging blijven zowel het pand als het ensemble behouden en wordt dus een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het historisch bebouwingsbeeld en het dorpsgezicht beschermd.

Er wordt geen nieuwbouw gepleegd, die bijvoorbeeld een belemmering kan vormen voor de kleinschalige natuur- en landschapsontwikkeling ter plaatse. Er kan derhalve worden geconcludeerd dat het initiatief past binnen de kaders van de intergemeentelijke structuurvisie.

Tevens bevat de structuurvisie een uitwerking van het Limburgs Kwaliteitsmenu. Dit Gemeentelijk Kwaliteitsmenu is van toepassing op de gebieden buiten de zogenaamde rode contouren, waarvan in casu sprake is. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het algemeen en in het buitengebied in het bijzonder moet worden afgewogen of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat tevens gekeken moet worden of de ontwikkeling voldoende intrinsieke kwaliteiten heeft qua functie en verschijningsvorm en landschappelijke inpassing op een goede wijze kan plaatsvinden. Er dienst sprake te zijn van compensatie in de zin van kwaliteitsbevorderende maatregelen die het buitengebied ten goede komen dan wel dient een financiële bijdrage gedaan te worden die kwaliteitsbevorderende maatregelen mogelijk maakt. Voor nieuwe solitaire woningen zoals in onderhavige situatie het geval is, bestaan de voorgestelde kwaliteitsverbeterende maatregelen uit de sloop van bestaande opstallen en/of de landschappelijke inpassing comform Landschapsvisie Zuid-Limburg.

Het planvoornemen betreft de realisatie van een woning binnen de reeds aanwezige woonbestemming en binnen een bestaand bijbehorend bouwwerk dat (grotendeels) is aangeduid als zijnde een Rijksmonument. Gelet op het voorgaande is een kwaliteitsbijdrage (te bepalen aan de hand van het aantal m2 uitgeefbaar kaveloppervlak) niet van toepassing. De ontwikkeling van de nieuwe woning vindt plaats binnen de bestaande bebouwing. Bovendien sluit het planvoornemen aan op het beleid van de provincie waarbij nieuwe functies worden ondergebracht binnen beeldbepalende panden/(rijks)monumenten. De kwaliteitsbijdrage in deze bestaat derhalve aan het bijdragen aan het behoud van cultuurhistorische waarden ter plaatse doordat een economisch haalbare invulling wordt gegeven aan het Rijksmonument. Tot slot is het bestaande gebouw reeds geheel landschappelijk ingepast door middel van bestaande beplanting en gaan door de gewijzigde invulling geen landschappelijke en natuurlijke waarden verloren. Geconcludeerd kan dan ook worden dat er geen aanvullende kwaliteitsbevorderende maatregelen aan de orde zijn.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Strategische Visie Vaals 2020

In de Strategische Visie Vaals 2020 genaamd "Geef vorm aan Vaals" worden de ambities en het toekomstbeeld voor de gemeenschap Vaals in 2020 geschetst. De gemeente streeft hierbij vooral naar een goed functionerende samenleving. In de strategische visie worden drie speerpunten beschreven: Leefbaarheid in Vaals, Aantrekkelijk wonen in Vaals, Toeristische kwaliteit Vaals.

1. Leefbaarheid in Vaals: De gemeente wil een aantrekkelijke woon- en leefgemeente zijn, met een internationaal karakter. Hierbij is een duidelijke oriëntatie op Aken van belang. De opbouw van de bevolking moet evenwichtiger worden maar wel pluriform blijven. De economische motor wordt gevormd door de combinatie van een uniek Drielanden-punt, een hoogwaardig buitengebied, een monumentale kern en een attractief winkelcentrum.

2. Aantrekkelijk wonen in Vaals: Een belangrijk onderdeel van de Strategische Visie is het wonen in Vaals. Door de ligging in de nabijheid van natuur, een grote stad en door de internationale sfeer heeft het wonen in Vaals grote mogelijkheden. Er zijn echter te weinig kwalitatief goede woningen, met als gevolg dat de groep mensen die dergelijke woningen zoekt, zich niet in Vaals vestigt. De variëteit moet groter worden om nieuwe bewoners en mensen met meer koopkracht aan te trekken.

3. Toeristische kwaliteit Vaals: Het toerisme is belangrijk in Vaals, maar de toeristische sector kan zeker nog groeien. Vaals kan een van de belangrijkste toeristische trekpleis-ters in de Euregio kan worden. Daarvoor is wel een verdere kwaliteitsverbetering nood-zakelijk.

Met voorliggend initiatief wordt een binnen een bestaand Rijksmonument een kwalitatief hoogwaardige woning gerealiseerd. Dit draagt bij aan de instandhouding van de cultuurhistorische waarden wat bijdraagt aan het aantrekkelijk wonen in Vaals. Tevens draagt de ontwikkeling bij aan de variëteit aan woningen binnen Vaals. Er kan derhalve worden geconcludeerd dat het initiatief passend is binnen de vigerende strategische visie van de gemeente Vaals.

Hoofdstuk 4 Uitvoeringsaspecten

4.1 Bedrijven en milieuzonering

Er dient getoetst te worden of in de omgeving van het initiatief functies voorkomen die een belemmering kunnen vormen voor de realisering van het initiatief. Een eerste toets heeft plaatsgevonden aan de voorgeschreven (indicatieve) afstanden zoals deze zijn voorgeschreven volgens de lijst "Bedrijven en Milieuzonering", uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in 2009.

 

De twee belangrijkste bouwstenen bij milieuzonering zijn de richtafstandenlijst en de omgevingstypen. De richtafstandenlijst biedt voor een scala aan typen bedrijvigheid de richtafstanden tot gevoelige bestemmingen vanwege geur, stof, geluid en gevaar. Daarnaast zijn indices opgenomen in de lijst voor verkeersaantrekkende werking, bodem, lucht en visueel.

Het planvoornemen betreft de realisatie van een woning binnen een bestaand bijgebouw. In de directe omgeving van de initiatieflocatie zijn geen bedrijven gelegen die in hun bedrijfsvoering worden beperkt door de realisatie van deze woning. Anderzijds zijn er binnen een straal van 200 meter van de beoogde woning zijn ook geen bedrijven aanwezig die van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat ter plaatse.

Voor het onderdeel verkeer is onderhavig initiatief ingedeeld in categorie 2. Er wordt een potentieel geringe verkeersaantrekkende werking verwacht. In paragraaf 2.3 is hier nader op ingegaan. Tot slot wordt voor het onderdeel 'visueel' een indicator aangegeven voor de (visuele) inpasbaarheid van activiteiten. Hoge kolossale industriële bouwwerken hebben een index gelijk aan 3, een klein kantoorgebouw een index gelijk aan 1. Het initiatief is ingedeeld in categorie 1. Er wordt derhalve geen visuele hinder verwacht.

Uit deze eerste toets kan worden geconcludeerd dat het initiatief voldoet aan de gestelde normen voor milieuzonering en dat derhalve een goed woon- en leefklimaat geborgd is.

4.2 Bodem

Conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient aangetoond te worden dat de gronden geschikt zijn voor de beoogde functie en is het noodzakelijk om de kwaliteit van de bodem inzichtelijk te maken. Onderhavig planvoornemen voorziet niet in de uitbreiding van bouwvolume en er vindt geen grondverzet plaats. Bovendien wordt het perceel reeds voor woondoeleinden gebruikt, en de bestemming zelf wordt niet gewijzigd. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is derhalve niet nodig. De bodem vormt ter plaatse geen belemmering voor de uitvoering van het planvoornemen.

4.3 Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt.

Het planvoornemen voorziet in de realisatie van een geluidgevoelig object in het kader van de Wet Geluidhinder. De Rarenderstraat zelf betreft een doorgaande geasfalteerde weg en kent een maximale snelheid van 60 km/uur. In dat kader is de straat gezoneerde weg in het kader van de Wgh. De Rarenderstraat kent echter een smal wegprofiel van 3,5 meter breed. Via deze straat wordt alleen aangesloten op de Meelenbroekerweg en de Epenerbaan. De hoofdontsluiting van deze woningen vindt plaats via de Epenerbaan. In zuidelijke richting (richting plangebied dus) neemt de intensiteit aanzienlijk af aangezien de bestaande woning aan de Rarenderstraat de laatste woning is in deze straat. De woning aan de Meelenbroekerweg wordt ook via de Rarenderstraat ontsloten. Al met al kent de Rarenderstraat ter plaatse een zeer lage intensiteit. Voor vrijstaande woningen geldt op basis van de ASVV 2012 namelijk een verkeersgeneratie van maximaal 8,3 voertuigbewegingen per woning per etmaal in weinig of niet stedelijk gebied. Aangezien aan de Rarenderstraat ter plaatse slechts 3 woningen zijn gesitueerd (inclusief de beoogde woning), kan er van uit worden gegaan dat hier maximaal circa 25 voertuigbewegingen per etmaal zullen voorkomen.

De beoogde woning is gelegen op een afstand van ruim 20 meter tot de Rarenderstraat. De bestaande woning aand e Rarenderstraat 73 kent een afstand van circa 9 meter tot deze straat. Binnen de bestaande woning wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh.

Het voorgaande overziend mag er vanuit worden gegaan dat het binnenniveau van 35 dB(A) voor bestaande bouw, ter plaatse van de beoogde nieuwe woning kan worden gegarandeerd. De invloed van verkeersgeluid op de beoogde woning is te verwaarlozen. Een akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

4.4 Geur

Geur kan in de leefomgeving hinder veroorzaken en brengt om die reden ook gezondheidsrisico's met zich mee. Geurhinder kan leiden tot lichamelijke klachten en/of psychische klachten. Geurgevoelige objecten dienen beschermd te worden tegen geuroverlast. Bij de beoordeling van een ruimtelijk plan zijn voor wat betreft geurhinder de volgende vragen relevant:

  • Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?
  • Wordt overigens niet iemand in zijn belangen geschaad?

Wanneer geurgevoelige objecten op voldoende afstand worden gepland, dan wordt het woon- en verblijfklimaat als goed aangemerkt en wordt niemand onevenredig in zijn belangen geschaad.

Middels voorliggend initiatief wordt geen nieuwe bron van geurhinder mogelijk gemaakt. Anderzijds dient getoetst te worden of een planvoornemen wordt beïnvloed door aanwezige geurbronnen. In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig welke geuroverlast kunnen opleveren. Een onderzoek naar de geurhinder en de omgekeerde werking van geur is dan ook niet noodzakelijk.

4.5 Luchtkwaliteit

4.5.1 Wet Luchtkwaliteit

Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:

  • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • Een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • Een project draagt 'niet in betekende mate' bij aan de luchtverontreiniging;
  • Een project past binnen het nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

De navolgende paragraaf gaat nader in op het feit dat het initiatief 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging, waardoor luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering vormen voor realisatie van het initiatief.

4.5.2 Besluit 'Niet in betekende mate'

In het Besluit 'Niet in betekende mate' (NIBM) is vastgelegd wanneer een project niet in betekende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM;
  • Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toet-sing aan grenswaarden plaats te vinden.

 

De Regeling NIBM geeft voor een aantal soorten van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Het gaat daarbij om woningbouwprojecten, kantoorprojecten en enkele inrichtingen (bijvoorbeeld landbouwinrichtingen). Als een project binnen de begrenzing van de Regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de grenswaarden nodig. Het project geldt dan als een NIBM-project en kan doorgaan zonder dat extra maatregelen worden genomen. Tevens is er dan geen luchtkwaliteitsonderzoek nodig. De 3% is als volgt gekwantificeerd:

  • Voor woningbouw geldt dat de 3% grens op 1.500 woningen is vastgesteld (bij 1 ontsluitingsweg) en op 3.000 woningen is vastgesteld in het geval van 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling;
  • Voor kantoren geldt dat de 1% grens op 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte kantoorgebouwen is vastgesteld (bij 1 ontsluitingsweg), en bij 200.000 m2 kantoorgebouwen in het geval van 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Over het aantal verkeersbewegingen wordt niet gesproken in de Regeling NIBM. Hiervoor kan echter wel het achterliggende onderzoeksrapport worden geraadpleegd. In dit rapport, opgesteld door het ministerie van VROM in samenwerking met DHV, zijn berekeningen uitgevoerd waaruit de bovengenoemde aantallen woningen en m2 kantoren zijn voortgevloeid. Tevens zijn in het rapport tabellen opgenomen met aantallen verkeersbewegingen en bijbehorende aantallen microgram/m3 fijn stof en NO2. De meest conservatieve berekeningen uit het rapport geven aan dat de 3% norm voor het aantal verkeersbewegingen ligt tussen de 600 en 1.200 motorvoertuigen per etmaal. Deze aantallen gelden voor 2006 waarbij in de rapportage wordt aangegeven dat de aantallen jaarlijks toenemen als gevolg van een jaarlijks verbeterende luchtkwaliteit. Indien de 3% norm wordt overschreden zullen er ten behoeve van de luchtkwaliteit salderende maatregelen genomen dienen te worden.

 

In vergelijking met de realisatie van 1.500 woningen (bij 1 ontsluitingsweg) is de ontwikkeling van 1 extra woning beduidend minder. Concluderend kan worden gesteld dat het initiatief aan de Rarenderstraat geen noemenswaardige effecten heeft op de luchtkwaliteit in de nabije omgeving. Het project geldt daarom als een NIBM-project en kan doorgaan zonder dat extra maatregelen genomen worden. Er is derhalve geen nader onderzoek naar de luchtkwaliteit noodzakelijk.

4.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het projectgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico.

Ook moet er getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels en restaurants .

Tot slot moet er in het kader van het plan bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPRarenderstraat73-ON01_0015.jpg"

Uitsnede risicokaart Limburg

Ten behoeve van de toetsing is gebruik gemaakt van de Risicokaart Limburg. Hieruit volgt dat er in de omgeving van het initiatief geen risicovolle activiteiten voorkomen. Geconcludeerd kan worden dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor realisatie van het initiatief.

4.7 Natuurbescherming

Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming.

4.7.1 Gebiedsbescherming

De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde staten van de provincie zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning. Indien eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een activiteit waarvoor tevens een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist, dan haakt de natuurtoets aan bij de omgevingsvergunning.

Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPRarenderstraat73-ON01_0016.jpg"

Uitsnede overzicht Natura 2000 gebied Geuldal

Het dichtstbijzijnde Natura2000 gebied is gelegen op circa 150 meter afstand. Het betreft hier het gebied Geuldal. Het Geuldal is met een oppervlakte van bijna 2500 hectaren een van de omvangrijkste Natura 2000 gebieden in ons land. Het gebied wordt gekenmerkt door grote hoogteverschillen en is mede daardoor bijzonder gradiëntrijk. In het dal bevinden zich betrekkelijk voedselrijke en natte tot vochtige gronden met een afwisseling van hooilanden en diverse bosgemeenschappen. De hoger gelegen, droge hellingen bestaan uit een voedselarme en kalkarme bovenste helft en een wat voedselrijkere onderste helft, waarbij kalkgesteente soms dagzoomt (in groeven). De graslanden en bossen die hier voorkomen bevatten orchideeënrijke hellingbossen, kalkgraslanden, heischrale graslanden en begroeiingen op rotsranden. In het zuidoosten komen op het plateau uitgestrekte beukenbossen voor waarvan de Veldbies-Beukenbossen (Luzulo-Fagetum), voor Nederlandse begrippen, bijzonder zijn. Het Geuldal is belangrijk voor ingekorven en vale vleermuis, daarnaast vliegend hert, geelbuikvuurpad en spaanse vlag.

Met onderhavig initiatief wordt geen nieuwe bebouwing gerealiseerd. Het betreft een inpandige aanpassing van een bijgebouw. Derhalve wordt uitgesloten dat het voornemen van invloed is op beschermde plant- en diersoorten. Hiermee wordt voor voorliggend initiatief de gebiedsbescherming voldoende geborgd.

4.7.2 Soortenbescherming

De bescherming van dier- en plantensoorten is eveneens in de Wet natuurbescherming geregeld. In deze wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels in de zin van de Vogelrichtlijn, voor dier- en plantensoorten uit de Habitatrichtlijn en voor overige soorten. Kort gezegd is het verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplantings- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield. Verder is het verboden beschermde plantensoorten te vernielen. Onder voorwaarden is ontheffing van de verbodsbepalingen mogelijk. Het bevoegd gezag voor het verlenen van een ontheffing zijn gedeputeerde staten van de provincie. Als eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, dan haakt de ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming daarbij aan.

Op het perceel van voorliggend initiatief komt geen waardevolle flora voor. Het huidige perceel kent reeds grotendeels een woonfunctie en wordt gebruikt als tuin. Er wordt geen nieuwe bebouwing gerealiseerd, het betreft hier enkel een inpandige aanpassing van een bij de woonfunctie behorend bouwwerk. In de omgeving van het gebied zijn een aantal beschermde planten aangetroffen. Deze vegetatie ligt op voldoende afstand van de voorgenomen activiteit. Er kan dus aangenomen worden dat de voorgenomen activiteit hier kan plaatsvinden zonder dat negatieve effecten optreden op de vegetatie.

De overige broedvogels zijn op voldoende afstand geïnventariseerd. Hierdoor zullen zij geen hinder ondervinden van het voorgenomen initiatief aan de Rarenderstraat 73. Er kan dus aangenomen worden dat de voorgenomen activiteit hier kan plaatsvinden zonder dat negatieve effecten optreden op de broedvogels en/of broedplaatsen.

4.8 Cultuurhistorie en Archeologie

4.8.1 Erfgoedwet

De Erfgoedwet (juli 2016) regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed. De wet beoogt het culturele erfgoed (en vooral het archeologische erfgoed) te beschermen. Onder archeologisch wordt verstaan: alle fysieke overblijfselen, zowel in als boven de grond die bijdragen aan het verkrijgen van inzicht in menselijke samenlevingen uit het verleden. In de wet is aangegeven dat gemeentes verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. Dit betekent dat gemeente bevoegd gezag is. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de voorgaande wet beschikt de gemeente over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart.

4.8.2 Archeologie

De Gemeente Vaals heeft een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart vastgesteld (20 juli 2010), waarop monumentale en archeologische waarden zijn weergegeven die zijn uitgesplitst naar de toegekende waarde (hoog, middelhoog, laag). Het plangebied betreft een terrein van hoge archeologische waarde. Op basis hiervan worden in het vigerende bestemmingsplan beschermende regelingen opgenomen door middel van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPRarenderstraat73-ON01_0017.png"

Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Vaals

Het plangebied gelegen aan de Rarenderstraat 73 heeft in het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'.

Voor de gronden gelegen binnen 'Waarde - Archeologie 2' geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 0,3 meter en groter dan 100 m2. Met onderhavig initiatief wordt geen nieuwe bebouwing gerealiseerd en de grond wordt niet geroerd. Een nader archeologisch onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. De dubbelbestemming wordt op de verbeelding en in de planregels overgenomen. Daarbij wordt ook de schuur (die na onderhavige bestemmingswijziging als woning zal worden gebruikt) voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'. Bij eventuele toekomstige ontwikkelingen met een bodemingreep dieper dan 0,3 meter en groter dan 100 m2 geldt de onderzoeksplicht.

4.8.3 Cultuurhistorie

Op basis van het geldende bestemmingsplan is uitsluitend ter plaatse van de bestaande woning aan de Rarenderstraat 73 de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' opgenomen. Volgens de gegevens van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is echter ook het betreffende bijbehorend bouwwerk (gedeeltelijk) aangewezen als Rijksmonument. Men spreekt namelijk van de percelen van sectie H, nummers 307 en 308. In de omschrijving wordt het huis van vakwerk met Andreaskruizen, afgedekte met een zadeldak met de verdieping aan de korte zijde overkraagd op schoren genoemd maar wordt tevens de vakwerkschuur omschreven als onderdeel van dit Rijksmonument.

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPRarenderstraat73-ON01_0018.jpg"

Overzicht Rijksmonumenten (bron: www.Rijksmonumenten.info/kaart)

Door dit monumentale bijbehorend bouwwerk als woning te gebruiken wordt een economisch haalbare invulling wordt gegeven aan een bestaand cultuurhistorisch object. Dit draagt derhalve bij aan het behoud van de cultuurhistorische waarden ter plaatse.

4.9 Waterparagraaf

4.9.1 Nationaal Waterplan

Het Nationaal Waterplan heeft de status van een structuurvisie en is opgesteld voor de planperiode 2016 - 2021. Het Nationaal Waterplan is in december 2015 door de ministerraad vastgesteld. Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:

  • Nederland blijft de veiligste delta in de wereld.
  • Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater.
  • Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.
  • Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement.
  • Nederlanders leven waterbewust.

Het rijk streeft dus naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening.

Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op de korte en de lange termijn. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen. De mate van bepalendheid wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied.

Gemeenten en provincies wordt gevraagd het generieke beleid zoals vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (ook wel bekend als de AMvB Ruimte) lokaal en regionaal te vertalen en vast te leggen in structuurvisies, bestemmingsplannen en waterplannen. Bij nieuwe ontwikkelingen dient dan ook rekening te worden gehouden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn, gericht op duurzaam waterbeheer.

4.9.2 Waterwet

In de Waterwet zijn acht oude waterwetten samengebracht: de Wet op de waterhuishouding, de Wet op de waterkering, de Grondwaterwet, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet verontreiniging zeewater, de Wet droogmakerijen en indijkingen (Wet van 14 juli 1904), de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (het zogenaamde 'natte gedeelte'), de Waterstaatswet 1900 en de Waterbodemparagraaf uit de Wet bodembescherming.

De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen.

De waterschappen krijgen een nieuwe bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten krijgen verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater.

4.9.3 Nationaal Bestuursakkoord Water

In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) en is overgenomen in het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten.

In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort.

4.9.4 Kaderrichtlijn water

Op 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water van kracht geworden. De KRW geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een "goede ecologische toestand" (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een "goed ecologisch potentieel" (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.

4.9.5 Provinciaal Waterplan 2016-2021

Het Provinciaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Provinciaal Waterplan Limburg 2009-2015 en een uitwerking van het waterbeleid in het POL2014, noodzakelijk om aan de vereisten van de Kaderrichtlijn Water en de Waterwet te voldoen. Samen met het Nationale Waterplan van het Rijk en het Waterbeheersplan Limburg van de beide Limburgse waterschappen vormt het een onderdeel van het Stroomgebied beheersplan Maas.

In paragraaf 4.9 wordt nader ingegaan op de waterhuishouding ter plaatse van het plangebied.

4.9.6 Waterschap Roer en Overmaas

Het waterschap Roer en Overmaas is de waterbeheerder in het plangebied en de directe omgeving hiervan. De belangrijkste beleidsuitgangspunten zijn:

  • het zorg dragen voor de veiligheid en bescherming tegen overstromingen en wateroverlast;
  • de watersysteembenadering: de natuurlijke en samenhangende kringloop tussen atmosfeer, omgeving, bodemsysteem en oppervlaktewateren;
  • de waterketenbenadering: de kringloop tussen waterwinning, menselijk gebruik en lozing van water;
  • de voorkeursvolgorde: vasthouden, bergen, afvoeren;
  • de voorkeursvolgorde: schoonhouden, scheiden, schoonmaken;
  • ruimte voor water, waarbij voor maatregelen ruimtelijke oplossingen worden gezocht;
  • het meenemen van water als mede ordenend principe in ruimtelijke plannen;
  • duurzaam waterbeheer;
  • niet afwentelen van problemen in ruimte of tijd: zelf verantwoordelijkheid nemen en anderen aanspreken op hun verantwoordelijkheid.
4.9.7 Kenmerken van het watersysteem

Bodemopbouw en grondwater

De bodem in het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit löss. Löss (ook wel limburgse klei genoemd) is een eolische afzetting van silt. Silt is de textuurfractie met een korrelgrootte die tussen die van zand en lutum in ligt. Löss kenmerkt zich door een relatieve slechte doorlatendheid en sterke erosiegevoeligheid.

De gehele gemeente Vaals is een infiltratiegebied. Het betreft veelal hoger gelegen gebieden waar het neerslagoverschot per saldo in de grond wegzakt, waardoor de grondwatervoorraad wordt aangevuld. In deze gebieden geldt dat er gestreefd dient te worden naar zoveel mogelijk afkoppelen van hemelwater. Het initiatief is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied en/of waterwingebied.

Oppervlaktewater

Nabij de initiatieflocatie is de Wolfhagerbeek gelegen. Hierdoor is de locatie voor wat het provinciaal beleid betreft gelegen in een beekdal. Aan beekdalen heeft men tevens de functie strategische waterberging toegekend. De functie strategische waterberging betekent dat de ruimte voor natuurlijke inundaties in beekdalen in stand moet blijven en de infiltratiecapaciteit van de bodem niet verder afneemt. Nieuw verhard oppervlak wordt gecompenseerd door extra ruimte te realiseren voor waterberging en infiltratiecapaciteit in de buurt van de ingreep. Daarmee kan het regionale watersysteem blijvend aan de normering voor regionale wateroverlast voldoen, ook bij toekomstige neerslagtoenames.

Ten behoeve van onderhavig initiatief wordt geen nieuw verhard oppervlak aangelegd. De ligging in het beekdal vormt derhalve geen belemmering voor de gewenste functiewijziging.

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPRarenderstraat73-ON01_0019.png"

Ligging Vaalsbroekermolenbeek

Net ten noorden van het plangebied ontspringt de Vaalsbroekermolenbeek. Onderhavig planvoornemen voorziet niet in de uitbreiding van bouwvolume of verharding en er vindt geen grondverzet plaats. Het planvoornemen heeft dan ook geen invloed op deze beek.

Afvalwater

Het afvalwater is reeds aangesloten op het bestaande rioleringssysteem.

Hemelwater

Ten behoeve van onderhavig initiatief wordt geen nieuw verhard oppervlak aangelegd. Er zullen daarom geen nieuwe voorzieningen voor de opvang van hemelwater worden gerealiseerd.

Conclusie

Een negatieve beïnvloeding van het grondwaterpeil of de waterhuishouding is, gezien het bovenstaande, niet te verwachten. De conclusie luidt dat bij de voorgenomen ontwikkeling geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik, bestemmingen of waterhuishoudkundige functies in relatie tot waterbeheer.

4.10 Kabels en leidingen

Er dient door middel van een Klic-melding getoetst te worden of er kabels en leidingen aanwezig zijn binnen het plangebied die een belemmering kunnen vormen voor onderhavig initiatief. Er vindt echter geen grondverzet plaats dus indien kabels en leidingen aanwezig zijn, wordt het planvoornemen niet gehinderd door de aanwezigheid daarvan.

Tevens is getoetst aan het vigerende en voorliggende bestemmingsplan. Hieruit volgt dat er ter plaatse geen kabels en leidingen aanwezig zijn die planologische bescherming behoeven of een belemmering vormen voor onderhavig initiatief.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Inleiding

Naast het toetsen van het planvoornemen aan diverse milieu- en veiligheidsaspecten, dient ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Hierbij wordt gekeken naar de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

5.2 Economische uitvoerbaarheid

Het betreft hier een private ontwikkeling waarbij het risico geheel gedragen wordt door de initiatiefnemer. Voor de gemeente Vaals zelf zijn er geen kosten verbonden aan de verwezenlijking van het plan. De kosten voor de eventuele aanleg van eigen huisaansluitingen met betrekking tot riolering, zullen voor rekening zijn van de initiatiefnemer. Er is verder geen sprake van op de initiatiefnemer te verhalen kosten.

Voor wat betreft het optreden van eventuele planschade wordt een overeenkomst gesloten met initiatiefnemer.

5.3 Maatschappelijke haalbaarheid

De gemeente is van mening dat onderhavig initiatief bijdraagt aan de regionale uitstraling, mede door de bijdrage aan de instandhouding van een Rijksmonument. Er kan daarom dan ook worden gesteld dat voorliggend planvoornemen hierdoor passend is op deze unieke locatie in Raren.

Voor de ontwikkeling van onderhavig initiatief zal een bestemmingsplanprocedure worden doorlopen. In het kader van deze procedure zal het plan ter inzage worden gelegd. Eventuele reacties en zienswijzen kunnen tijdens deze termijn worden ingediend.

5.4 Conclusie

Het planvoornemen zal gezien het bovenstaande niet leiden tot overwegende planologische bezwaren. De bestemmingsplanherziening is, na een afweging van de verschillende belangen, aanvaardbaar gezien de toepassing van het cultuurhistorische object, de afstand tot andere woningen en de ligging in het buitengebied.

 

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten

6.1 Inleiding

In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied op hoofdlijnen door de gronden te beleggen met een bestemming. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In deze paragraaf wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht.

6.2 Toelichting op de verbeelding

Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduiding zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de verbeelding heeft geen juridisch betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/GBKN ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding.

6.3 Toelichting op de regels

De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het voorliggend bestemmingsplan zijn opgebouwd conform de door de SVBP2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels, en ten slotte de overgangs- en slotregels.

De regels van onderhavig bestemmingsplan zullen aansluiten op de regels van het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied 2013'.

De belangrijkste wijziging ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan is dat er binnen de bestemming 'Wonen' in plaats van 1 woning per perceel, in onderhavig bestemmingsplan 2 woningen per perceel mogelijk worden gemaakt. Door de regels hier op aan te passen is het toegestaan om, in dit geval in het bijbehorende bouwwerk, een extra woning te realiseren. Het binnen het perceel aanwezige hoofdgebouw blijft het belangrijkste gebouw op het perceel. Binnen het hoofdgebouw wordt één woning toegestaan. Daarnaast wordt dus een deel van een bijbehorend bouwwerk aangemerkt als woning. Deze woning wordt dus niet aangemerkt als nieuw hoofdgebouw. Het is ook niet de bedoeling dat door toevoeging van een woning extra bijbehorende bouwwerken mogen worden opgericht. Standaard geldt binnen de gemeente Vaals dat binnen het woonvlak een totale oppervlakte van 75m2 aan bijbehorende bouwwerken wordt toegestaan. Binnen het perceel is reeds een groter oppervlak aan bebijbehorende bouwwerken aanwezig. Dit bestaande oppervlak wordt als maximum aan bijbehorende bouwwerken toegestaan. Op deze manier wordt het dichtslibben van het bestemmingsvlak en verdere verstening tegengegaan in het kader vaneen goede ruimtelijke ordening.

Om de eventueel aanwezige archeologische waarden te beschermen wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' overgenomen. Daarnaast wordt ook ter plaatse van de beoogde woning, als onderdeel van het bestaande Rijksmonument, de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' opgenomen. De dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd Dorpsgezicht' alsmede de gebiedsaanduiding 'milieuzone - bodembeschermingsgebied' worden ook overgenomen conform het geldende bestemmingsplan.

Hoofdstuk 7 Procedure

7.1 De te volgen procedure

Het bestemmingsplan doorloopt als (voor)ontwerp respectievelijk vastgesteld plan de volgende procedure:

  • a. Voorbereiding:
  • vooroverleg met overheidsinstanties: betrokken diensten van rijk en provincie, waterschap (watertoets), eventueel buurgemeenten.
  • (eventueel) inspraak
  • b. Ontwerp:
  • publicatie en terinzagelegging overeenkomstig afdeling 3.4 Awb en Wro
  • een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen bij de gemeenteraad
  • c. Vaststelling:
  • vaststelling door de raad
  • mogelijkheid reactieve aanwijzing
  • publicatie en terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn
  • d. Inwerkingtreding:
  • na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan)
  • a. Beroep:
  • beroep bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

In het kader van deze procedure is een inspraakprocedure mogelijk waarbij eenieder zijn/haar inspraakreactie (bij de gemeenteraad) kenbaar kan maken. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen wordt daarvan steeds melding gemaakt. Wanneer beroep wordt ingesteld, beslist uiteindelijk c.q. in hoogste instantie, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het bestem-mingsplan.

7.2 Het vooroverleg (artikel 3.1.1. Bro)

Tot de voorbereiding van dit bestemmingsplan behoort het overleg met de daarvoor in aanmerking komende besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met diensten van Rijk en provincie (tevens VROM inspectie). Instanties die blijkens hun werkterrein, belangen vertegenwoordigen of bevoegdheden krachtens de Wro hebben worden bij de totstandkoming van bestemmingsplannen betrokken bij het artikel 3.1.1. Bro overleg.

De verschillende instanties zijn inmiddels informeel geïnformeerd over het planvoornemen. De verschillende instanties hebben het planvoornemen bestudeerd en hebben aangegeven of er belangen spelen. Eventuele op- en of aanmerkingen op het plan zijn reeds verwerkt in onderhavig bestemmingsplan.

7.3 Uitkomsten vooroverleg

In het kader van het vooroverleg is door de provincie Limburg en de Rijksdienst gereageerd. De reactie van deze instanties is kort samengevat en voorzien van een standpunt.

Reactie provincie Limburg

De provincie Limburg heeft per mail op 13 juli 2016 in het kader van het vooroverleg gereageerd. In deze reactie worden twee punten aangehaald, te weten:

  • voorgesteld wordt om in de toelichting zowel de motivering op te nemen vanuit de huidige beleidsregel wonen maar ook aan te geven dat de gemeente met ondertekening van de structuurvisie wonen en de bestuursafspraken zich gecommitteerd heeft hierop te anticiperen;
  • op het onderdeel cultuurhistorie heeft de provincie geen opmerkingen anders dan dat nog ergens gesproken wordt over een provinciaal monument. Deze status bestaat niet meer.

--> het bestemmingsplan wordt op beide punten geactualiseerd naar het meest recent vastgestelde beleid

Reactie Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed

Op 13 december 2016 is per mail een reactie van de Rijksdienst ontvangen. De Rijksdienst geeft hierin aan dat het advies van de welstandscommissie met de aandachtspunten wordt ondersteund. Aanvullend wordt aandacht gevraagd voor een goede inpassing van de voorgestelde veranderingen in de bestaande karakteristiek van het rijksmonument.

Om die reden wordt geadviseerd om:

  • de horizontale roedenverdeling in de voorgestelde nieuwe deuren in de westgevel achterwege te laten;
  • de bestaande deuren in de westgevel omwille van de karakteristiek te handhaven;
  • de bestaande en nieuwe deuren op een goede manier te laten samengaan;
  • de nieuwe vensteropening in de zuidgevel beter in te passen in de karakteristiek van de aanbouw met lessenaarsdak.

--> het advies van de Rijksdienst heeft betrekking op een verdere detaillering van de uitwerking van het planvoornemen. Het bestemmingsplan wijzigt niet.

7.4 Inspraak

PM